Category Archives: Parlement NL

De Europese werkwijze van de Eerste en Tweede Kamer

De Nederlandse regering onderhandelt met andere Europese regeringen over nieuwe Europese wetten en regels. In het nationale wetgevingsproces is de Eerste Kamer pas aan zet na de Tweede Kamer, maar voor het Europese wetgevingsproces ligt dit anders. Beide Kamers controleren de totstandkoming van Europese maatregelen en de inzet van de regering bij deze onderhandelingen. Zij  kunnen ook rechtstreeks invloed uitoefenen op Europese plannen, bijvoorbeeld door te overleggen met de Europese Commissie of met leden van het Europees Parlement.

Commissie EU-zaken
De Eerste en Tweede Kamer hebben een aparte commissie voor EU Zaken. Voorzitter van de commissie van de Eerste Kamer is Tuur Elzinga (SP), in de Tweede kamer is dat Malik Azmani (VVD) Met de commissieleden  zijn zij het aanspreekpunt over Europese onderwerpen voor andere lidstaten van de Europese Unie en het Europese. Maar in de parlementaire praktijk zijn de Europese beleids- en wetgevingsvoorstellen verweven in het werk van alle Kamercommissies. Dit betekent dat alle vaste Kamercommissies naast nationale wetgeving, ook Europese dossiers op hun beleidsterrein behandelen. Reden hiervoor is dat nationale wetgeving en Europese wetgeving steeds meer verweven zijn.
Europees werkprogramma en jaarlijkse EU-prioriteiten
Ieder jaar bepalen beide Kamers op basis van het werkprogramma van de Europese Commissie aan welke onderwerpen zij extra aandacht wil geven. Elke Kamercommissie selecteert de onderwerpen die op haar terrein liggen, zoals zorg, landbouw of financiën. Zodra de Europese Commissie een van deze prioritaire voorstellen publiceert, zal de betreffende Kamercommissie besluiten om dit onderwerp nader te behandelen. Het kan gaan om ontwerpverordeningen, -richtlijnen en besluiten, maar ook om mededelingen, witboeken en groenboeken. Ook aan de regering wordt verzocht om met deze selectie rekening te houden, zodat het parlement tijdig en adequaat kan worden geïnformeerd over deze Europese voorstellen.

Controle op de regering
De grondwettelijke informatieplicht (artikel 68 Grondwet) biedt het parlement een stevige basis om door de regering te worden geïnformeerd over de totstandkoming van Europees beleid en regelgeving en over de rol die de regering heeft in de Raad. Voorafgaand aan iedere bijeenkomst van ministers of staatssecretarissen van alle EU-lidstaten op een bepaald terrein, de zogenaamde ‘Raad’ voor bijvoorbeeld Landbouw of Gezondheidszorg, legt de betreffende Nederlandse minister of staatssecretaris in een brief het standpunt vast dat hij of zij zal gaan innemen in die Raadsvergadering. Die brief wordt ook wel de ‘Geannoteerde Agenda’ genoemd.
Op basis van die brief bespreekt de Tweede Kamer voorafgaand aan de Raad de Nederlandse inzet met die minister of staatssecretaris. Dit gebeurt over het algemeen in de vaste Kamercommissie die zich met het betreffende vakgebied bezig houdt. Wekelijks vinden er meerdere van dit soort Algemeen Overleggen voor een Raad plaats.
Zoals ook voor de behandeling van nationale wetsvoorstellen gebruikelijk is, verloopt de behandeling van een Europees voorstel in de Eerste Kamer voornamelijk schriftelijk. De Kamerleden kunnen in  brieven aan de verantwoordelijke bewindspersoon (schriftelijk overleg) vragen stellen over de kabinetsinzet in de Raad en zo het kabinetsstandpunt proberen te beïnvloeden. De brieven gaan uit van de betrokken vakcommissie en kunnen het standpunt van de commissie als geheel bevatten of van één of enkele fracties. De Eerste Kamer probeert hierdoor ook te voorkomen dat er doublures in het werk van beide Kamers optreden. In een enkel geval kan over een complex Europees dossier in een commissievergadering een mondeling overleg plaatsvinden met de betrokken bewindspersoon.

Instemmingsrecht
Het parlement  had lange tijd een instemmingsrecht voor een groot aantal Europese aangelegenheden op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) .  Dit hield in dat een bewindspersoon slechts kon meewerken aan de totstandkoming van een Europees voorstel in de Raad als beide Kamers hun instemming hadden gegeven. Bij de goedkeuring van het Verdrag van Lissabon heeft de Nederlandse wetgever het instemmingsrecht voor de Kamers ingeperkt. Het instemmingsrecht geldt nu alleen voor voorstellen op het gebied van paspoorten, familierecht en bepaalde vormen van politiesamenwerking. De relevante Kamercommissies nemen het ontwerp dan eerst in behandeling, waarna het al dan niet verlenen van instemming plenair wordt vastgesteld.

Politieke dialoog met de Europese instellingen
Gedurende de behandeling van een Europees voorstel kunnen de leden van een commissie in beide Kamers hun visie delen met en vragen stellen aan de Europese Commissie,  bijvoorbeeld over de onderbouwing van bepaalde delen van het voorstel of  de interpretatie van begrippen en bepalingen. Zij doen dit dan in het kader van de zogenaamde ‘informele politieke dialoog’. Omdat het om een informeel instrument gaat, kan de brief vragen of opvattingen bevatten van een of meerdere fracties. De brief kan bovendien betrekking hebben op zowel een wetgevend voorstel als een niet-wetgevend voorstel, zoals een mededeling of groenboek. Dergelijke brieven hoeven niet plenair te worden vastgesteld. De politieke dialoog tussen de vakcommissies en de Europese instellingen voltrekt zich niet alleen schriftelijk. Eerste en Tweede Kamerleden gaan  geregeld met de leden van de Europese Commissie en met Europarlementariërs in gesprek over Europese voorstellen in Den Haag, Brussel of tijdens interparlementaire conferenties elders.

Subsidiariteitstoets
Soms is het de vraag of de Europese Unie zich bezighoudt met zaken die misschien beter op nationaal niveau kunnen worden geregeld. Het beginsel van subsidiariteit betekent dat de nationale parlementen beoordelen of een maatregel op Europees niveau moet worden genomen, of dat dit beter door een lidstaat zelf kan worden geregeld. Als de nationale parlementen vinden dat een voorstel niet op Europees niveau mag worden gedaan, spreken zij de Europese Commissie, het Europees parlement en de Raad van ministers daarop aan.
De uitgaande brief met een subsidiariteitsbezwaar moet – op voorstel van een Kamercommissie – plenair vastgesteld worden en moet binnen 8 weken na publicatie van het betreffende voorstel aan de Europese Commissie zijn verzonden. De brief verwoordt het standpunt van de meerderheid van de Kamer en vermeldt eventueel ook een minderheidsstandpunt.
Als een derde van de nationale parlementen bezwaren heeft, dan moet de Europese Commissie haar voorstel nog eens overwegen. Dit wordt wel de ‘gele kaart’ genoemd. De Europese Commissie kan naar aanleiding van een gele kaart niet worden verplicht om een voorstel in te trekken. Als meer dan de helft van de parlementen bezwaren heeft, kunnen zij de Raad van ministers en het Europees Parlement vragen het voorstel niet langer in behandeling te nemen. In dit geval wordt er wel gesproken van de ‘oranje kaart’. Deze mogelijkheden zijn geregeld in het Verdrag van Lissabon. Beide Kamers hebben elk één stem in de bewaarprocedure, maar zoeken steeds naar samenwerking om te bezien of er een (vrijwel) identieke brief verzonden kan worden  naar de Europese Commissie. In een enkel geval dient slechts één Kamer een bezwaar in.

Parlementair behandelvoorbehoud
Soms is een onderwerp zo belangrijk voor Nederland, dat het parlement de regering verzoekt niet in te stemmen met een voorstel voordat het parlement hierover een debat met de regering heeft gevoerd. Op basis van nationale wetgeving hebben beide Kamers in het kader van deze informatieplicht sinds 2009 ook bevoegdheid gekregen om een parlementair behandelvoorbehoud te plaatsen bij de totstandkoming van Europese wetgeving. Door een voorbehoud te plaatsen, geeft een Kamer aan dat zij een voorstel van bijzonder politiek belang acht en dat zij over de behandeling van dit voorstel uitgebreid wenst te worden geïnformeerd voordat de Raad hierover een besluit neemt. De regering mag in die gevallen nog niet met het voorstel instemmen. In de Tweede Kamer is op een aantal dossier een behandelvoorbehoud geplaatst, die hebben geleid tot steviger informatieafspraken. De Eerste Kamer heeft, anders dan de Tweede Kamer, deze procedure tot nu toe nog niet toegepast.
Parlementaire vertegenwoordiging in Brussel
De Tweede en Eerste Kamer worden samen in Brussel vertegenwoordigd door het Bureau van de Parlementaire Vertegenwoordiging van de Staten-Generaal bij de Europese Unie (PVSG). De medewerkers zijn de ‘oren en ogen’ van de beide Kamers bij de Europese instellingen. De PVSG organiseert werkbezoeken en versterkt de interparlementaire samenwerking in de Europese Unie.

Parlementaire EU behandeling online
Voor alle Europese voorstellen die de Eerste Kamer in behandeling neemt, worden digitale dossiers (E-dossiers) aangemaakt op www.europapoort.nl Deze website bevat al het nieuws en informatie over de Europese activiteiten van de Eerste Kamer en haar commissies. De website is bedoeld als een structureel informatiesysteem om zicht te kunnen houden op de  stroom Europese regelgeving en op de uitwerking daarvan op nationale wetgeving. De website dient niet alleen Kamerleden, maar stelt het publiek in staat standpunten aan de Kamer kenbaar te maken. Ook geeft de website inzicht in de verwevenheid van Europese en nationale regelgeving.

Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap zal de Tweede Kamer naar verwachting de publieke EU-monitor lanceren, ten behoeve van het inzicht in de Europese behandelingen van dossiers in de Tweede Kamer.

De Eerste en Tweede Kamer

De Eerste Kamer en de Tweede Kamer der Staten-Generaal vormen sinds 1815 samen het Nederlandse parlement. Beide Kamers hebben een belangrijke taak bij de invoering van nieuwe wetten. Een wetsvoorstel kan alleen wet worden als eerst de Tweede Kamer en daarna de Eerste Kamer het heeft goedgekeurd.

De leden van de Tweede Kamer kunnen zelf wetsvoorstellen indienen en veranderen. De Eerste Kamer niet; zij kan wetsvoorstellen alleen goedkeuren of verwerpen. Beide Kamers controleren de regering. Dat houdt in dat ministers en staatssecretarissen aan de Kamers verantwoording moeten afleggen.

De Tweede Kamer is de rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordiging. Zij bestaat uit 150 leden. Dit zijn fulltime politici. De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de Provinciale Staten. Zij zijn parttime politici en vergaderen slechts één dag per week. Luchtfoto van het Binnenhof

 

Over de parlementaire dimensie

Van januari tot en met juni 2016 is Nederland voorzitter van de Raad van de Europese Unie. Naast de regering spelen ook de Staten-Generaal tijdens het EU-Voorzitterschap een grote rol. De parlementaire dimensie van het voorzitterschap houdt onder meer in dat Eerste Kamer en Tweede Kamer samen een aantal interparlementaire conferenties organiseren. Inzet daarbij is om samen met andere nationale parlementen en het Europees Parlement te bouwen aan parlementaire controle op en betrokkenheid bij Europese besluitvorming.

Interparlementaire conferenties
De Staten-Generaal organiseren in 2016 vijf interparlementaire conferenties in Den Haag en één in Brussel in het kader van de parlementaire dimensie van het voorzitterschap. Vier van deze conferenties vinden ieder halfjaar plaats:

  • de vergadering van de voorzitters van de commissies voor Europese Zaken (COSAC-voorzittersbijeenkomst)
  • de reguliere vergadering van de commissies voor Europese Zaken van nationale parlementen (plenaire COSAC-bijeenkomst)
  • de conferentie over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GBVB/GVDB);
  • de conferentie in het kader van het begrotingspact (de zogenoemde ‘artikel 13’-conferentie).

Twee andere conferenties gaan over onderwerpen die de Staten-Generaal heel belangrijk vinden:

  • een themaconferentie over energie en innovatie met bijzondere aandacht voor circulaire economieën 
  • een themaconferentie over mensenhandel